Levensloop, criminaliteit en interventies

Opgelet: wordt in een nieuw venster geopend. Afdrukken

Coördinatoren: prof. dr. mr. C.C.J.H. Bijleveld en dr. F.M. Weerman

Binnen themagroep 3 valt een onderscheid te maken tussen onderzoek naar levensloop en criminele carrières, en onderzoek naar (justitiële en niet-justitiële) interventies. In de praktijk komen in de meeste onderzoeken beide aspecten aan bod. Dat betekent dat in het onderzoek van themagroep 3 drie hoofdvragen worden onderscheiden.

De eerste vraag is hoe crimineel gedrag zich ontwikkelt over de levensloop. Met behulp van bij voorkeur krachtige, longitudinale, en liefst representatieve dataverzamelingen wordt de ontwikkeling van criminaliteit over de levensloop beschreven. Daarbij wordt specifiek gekeken naar de start van de criminele carrière, naar de duur en naar ‘desistence’: het proces van weer ophouden met delinquentie. Ook wordt gekeken naar de ontwikkeling over soorten delicten, bijvoorbeeld tot uitdrukking komend in specialisatie of juist in een steeds generalistischer delictpatroon. Er wordt zowel onderzoek gedaan onder representatieve groepen daders en daders van speciale soorten (zware) delicten, als onder de algemene bevolking.
De tweede vraag is hoe de ontwikkeling van dit criminele gedrag verklaard kan worden. Die verklaring wordt gezocht op micro- en op meso-niveau. Ook wordt gekeken naar zowel statische factoren (zoals sekse, eerdere criminele carrière, stoornissen) als dynamische factoren (zoals het hebben van werk, sociaal-emotionele ontwikkeling, relaties en verslaving). Op meso-niveau wordt nadrukkelijk gekeken naar de rol van (delinquente) vrienden en – in samenwerking met themagroep 1 – de rol van en interactie met buurtfactoren.
De derde vraag is een verbijzondering van de tweede vraag in die zin, dat specifiek naar de bedoelde en onbedoelde effecten van (justitiële) interventies in de ontwikkeling van criminele carrières wordt gekeken. Het kan daarbij gaan om gevangenisstraf of om behandeling, maar bijvoorbeeld ook om sancties op scholen op regelovertredend gedrag van de leerlingen.


Projectbeschrijvingen


Criminele carrière en levensloop studie (CCLS)
dr. mr. Arjan Blokland

In dit project – De Criminele Carrière en Levensloop Studie (CCLS) – worden ruim 5.000 veroordeelden en hun familieleden bestudeerd over vrijwel hun gehele leven. Het project maakt gebruik van gegevens van een 4% steekproef van alle personen die in 1977 zijn veroordeeld. Op basis van gegevens uit het Justitiële Documentatie Register wordt de complete criminele carrière van deze onderzoekspersonen en hun huwelijkspartners en kinderen nagegaan tot aan 2007. Tevens zijn voor de veroordeelden en hun familieleden gegevens uit de Gemeentelijke Basis Administratie bekend. Hierdoor kunnen levenslange ontwikkelingen op andere levensloop terreinen (huwelijk, kinderen, overlijden) en de relatie met crimineel gedrag worden bestudeerd. Binnen het criminele carrière project wordt samengewerkt met internationale experts op het terrein van criminele carrières, en strafrechtelijke interventies.
In 2010 is subsidie verkregen om alle steekproefleden te bevragen op de domeinen werk, relaties, gezondheid, verslaving en woonomgeving (NWO Middelgroot). Deze verrijking van de dataset gaat in de loop van 2010 van start.


De ontwikkeling van delinquent gedrag bij hoog-risico jongeren
drs. Victor van der Geest, prof. dr. mr. Catrien Bijleveld, dr. mr. Arjan Blokland

Dit onderzoek richt zich op de beschrijving en verklaring van criminele carrières bij hoog-risico jongeren vanaf het begin van de adolescentie tot in volwassenheid. Hiertoe wordt een uitstroomcohort van 270 jongens onderzocht, die tussen 1989 en 1996 behandeld zijn in een justitiële jeugdinrichting (JJI). Voor dit onderzoek wordt gebruik gemaakt van registraties van justitiecontacten in de CJD (Centrale Justitiële Documentatie), gemeten van 12 tot circa 32 jaar. Tevens is in de jeugdinrichting informatie verzameld over tal van achtergrondkenmerken: gezinspathologie, intelligentie, persoonlijkheid, relaties met leeftijdgenoten enz. De recidive werd in een eerste stadium van het onderzoek beschreven (Van der Geest, Bijleveld & Wijkman, 2005) en geijkt aan een doorsnede van de Nederlandse bevolking (Van der Geest, Langendoen & Bijleveld, 2006). Daarnaast werden er verschillende ontwikkelingspaden van delinquent gedrag onderscheiden.
Verschillende typologische theorieën veronderstellen een samenhang tussen criminele ontwikkeling en persoonskenmerken (Moffitt, 1993; Le Blanc, 1997; Lahey en Waldman, 2003; Thornberry en Krohn, 2005). Een aantal in de midden-adolescentie gemeten kenmerken blijkt voorspellend voor de latere criminele gedrag (Van der Geest & Bijleveld, 2007). Ook als er subgroepen worden onderscheiden op basis van de ontwikkeling van het criminele gedrag, blijken bepaalde groepen te worden gekenmerkt door een specifiek profiel aan persoonskenmerken.
Een probleem met deze variabelen is echter dat ze statisch zijn. In de literatuur worden behalve statische factoren, ook diverse dynamische, veranderlijke, factoren genoemd die bijdragen aan de verklaring van het verloop van criminele carrières. In het kader van dit onderzoeksproject zijn daarom ook gegevens over werk, relaties en verslaving verzameld, met als doel het verloop en de verschillen tussen ontwikkelingspaden van ernstige delinquentie beter te kunnen verklaren.
De analyses over het effect van werk laten zien dat er, bovenop statistische risicofactoren, een beschermend effect uitgaat van sommige dynamische factoren, vooral van het krijgen van regulier werk.
In het onderzoek worden voorts vergelijkingen gemaakt met de beschrijving en verklaring van de criminele carrière van residentieel behandelde meisjes, die aan de Vrije Universiteit (sectie Criminologie) worden onderzocht.
Een eerste promotie (van der Geest) wordt in 2010 verwacht.


Toepassing econometrische modellering voor analyse criminele carrières
Geert Mesters, MSc, drs. Victor van der Geest, prof. dr. mr. Catrien Bijleveld, dr. M. Ooms, prof. dr. S.J. Koopman

In een samenwerkingsproject met de afdeling Econometrie (prof. dr. Koopman, dr. Ooms), wordt onderzocht in hoeverre de toepassing van econometrische en labour market modellen zoals het health shocks model en het model van Jungbacker & Koopman vruchtbaar is om de ontwikkeling van criminele carrieres en causale invloed daarop van exogene factoren te onderzoeken. Ook wordt dynamische factor analyse aangewend om de effecten van lange termijn trends zoals de conjunctuur en punitiviteitsveranderingen in kaart te brengen. 
Dit onderzoek bestaat uit de toepassing en ontwikkeling van programmatuur op twee datasets, te weten de hoog-risico dataset (zie onderzoek 2) en de historische dataset (zie onderzoek 6).


De rol van leeftijdsgenoten bij delinquent gedrag van jongeren
dr. Frank Weerman, Ruben de Cuyper, MSc
Doel van dit onderzoek is het verkrijgen van meer inzicht in de rol van leeftijdsgenoten bij het ontstaan en veranderen van probleem- en delinquent gedrag van jongeren. Meer specifiek wordt nagegaan hoe de ontwikkeling van sociale netwerken van scholieren op middelbare scholen is gerelateerd aan hun probleem- en delinquent gedrag. De achtergrond is het sterke verband dat vaak wordt gevonden tussen het hebben van delinquente vrienden en eigen delinquent gedrag. Een probleem bij deze bevinding is dat gewoonlijk gebruik wordt gemaakt van indirecte informatie waarbij jongeren wordt gevraagd te rapporteren over het gedrag van hun vrienden. In dit onderzoek zijn sociale netwerkmethoden gebruikt om op een directe manier het delinquente gedrag van leeftijdsgenoten vast te stellen, waardoor een reëler beeld ontstaat van de mate waarin delinquente jongeren relatief vaak met elkaar omgaan.
Door de ontwikkeling van de sociale netwerken te bestuderen kan voorts meer zicht worden verkregen in hoeverre er sprake is van invloedsprocessen (delinquente vrienden leiden tot meer delinquentie) en selectie (al delinquente jongeren krijgen relatief vaak delinquente vrienden). Daarbij kunnen ook andere invloeds- en selectiemechanismen worden meegenomen in de analyse.
Het onderzoek is onderdeel van het longitudinale NSCR-schoolproject, waarbij middelbare scholieren herhaaldelijk (van 2002-2004) zijn ondervraagd. In de vragenlijst die hierbij wordt gebruikt, is gevraagd om medescholieren met wie ze veel en met wie ze het meest omgaan te kiezen uit een genummerde lijst met leerlingen uit hetzelfde schooljaar. Probleem- en delinquent gedrag wordt in kaart gebracht door middel van zelfrapportage. Daarnaast is een range aan bekende risicofactoren vastgesteld, zoals zwakke sociale bindingen, lage zelfcontrole, weinig moraliteit, en lidmaatschap van problematische jeugdgroepen en jeugdbendes. In 2009 is tevens aanvullende informatie verzameld over de buurten waarin een deel van de deelnemers van het schoolproject woonden.

 

(Jeugdige) zedendelinquenten
prof.dr.mr. Catrien Bijleveld, prof. dr. Jan Hendriks (de Waag, VU)

Dit project beoogt voorspellers en onderscheidende factoren te identificeren, die samenhangen met zedendelinquentie op jeugdige en op latere leeftijd. Het gaat zowel om het onderscheid tussen jeugdige zedendelinquenten en niet-zedendelinquenten als om het onderscheid tussen verschillende categorieën binnen de groep jeugdige zedendelinquenten.
Jeugdige zedendelinquenten zijn een onderbelichte groep. Tegelijkertijd zijn er aanwijzingen dat volwassen zedendelinquenten vaak al op jonge leeftijd begonnen zijn met het plegen van seksuele delicten. Onderzoek binnen de groep jeugdige zedendelinquenten wordt bemoeilijkt omdat de groep zeer heterogeen is: er bevinden zich allerlei soorten daders binnen de hele groep die eigensoortige zedendelicten plegen (bijvoorbeeld groepszedendelicten of delicten met een kindslachtoffer) waarmee telkens unieke patronen van oorzakelijke factoren samenhangen. Een tweede probleem is dat in absolute zin het aantal daders gering is, zodat het in statistische zin moeilijk is harde uitspraken over deze groep delinquenten te doen. In het onderzoek wordt geprobeerd door opeenvolgende dossierstudies voor een zo groot mogelijk aantal daders gegevens te verzamelen, zodat betrouwbare uitspraken gedaan kunnen worden. In de karakterisering van de jeugdige zedendelinquenten wordt naar een breed scala aan relevante factoren gekeken: persoonlijke, gezins- en behandelkenmerken.
Ongeveer 500 jeugdige zedendelinquenten worden onderzocht. Naast achtergrondkenmerken wordt gekeken voorspellende factoren van (algemene, gewelds- en zeden) recidive. De kennis die in het onderzoek vergaard wordt is niet alleen van belang voor theorievorming, maar ook voor vroegtijdige risico-inschatting en behandeling. In 2009 is de dataset verrijkt met gegevens over relaties, werk en huisvesting. In het onderzoek worden vergelijkingen gemaakt met volwassen vrouwelijke zedendelinquenten, die aan de Vrije Universiteit (sectie Criminologie) worden onderzocht. 
Bijzonderheid: het betreft een samenwerkingsverband tussen NSCR en FORA/De Waag.


Historisch onderzoek van criminaliteit over vijf generaties
prof.dr.mr. Catrien Bijleveld, Rianne van Os, MSc (VU)

Dit intergenerationele onderzoek is in 2004 van start gegaan met de toevallige vondst van het inschrijfboek van de eerste 198 jongens die in 1911 op een tuchtschool geplaatst waren. Van alle 198 mannen zijn de nazaten getraceerd: kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Aangezien ook van de ouders van deze mannen informatie aanwezig was, zijn er daarmee delinquentiegegevens over vijf generaties verzameld, van 1875 tot heden. Van iedereen is informatie over veroordelingen en detentie verzameld. Van de meer recente generaties is voor de mannen ook informatie over gezondheid, werk, gezinsvorming aanwezig.
De hoofdvragen in dit onderzoek zijn of er intergenerationele continuïteit is in delinquentie en zo ja, hoe die verklaard kan worden. In de literatuur worden grofweg zeven mechanismen beschreven waarlangs die continuïteit geëffectueerd wordt. Speciaal worden daar ‘nurture’ tegen ‘nature’ verklaringen afgezet. In diverse deelstudies wordt onderzocht voor welk mechanisme de meeste ondersteuning wordt gevonden.
In het project wordt samengewerkt met de University of Cambridge om de effecten van detentie nader te onderzoeken en te vergelijken met die uit de Cambridge Study on Delinquent Development. Een samen met de VU uit de Vrije Competitie verworven promovendus is in 2009 aangevangen om de intergenerationele continuïteit in agressieve delinquentie te onderzoeken.


De ontwikkeling van crimineel gedrag tijdens de jongvolwassenheid
dr. Hanneke Palmen, dr. mr. Arjan Blokland, drs. Carolien Swier

Dit jaar start het NSCR een grootschalig longitudinaal onderzoek naar de ontwikkeling van crimineel gedrag binnen de levensloop van jong volwassenen (18-28 jaar). De periode van de jongvolwassenheid markeert de overgang van de adolescentie naar de volwassenheid. In deze leeftijdsperiode stoppen veel jongeren met het vertonen van delinquent gedrag, maar tekent zich tevens een groep jongeren af wiens criminele carrière een langduriger karakter kent. Een belangrijke vraag binnen dit onderzoek is hoe de ontwikkeling van crimineel gedrag in deze leeftijdsperiode samenhangt met belangrijke veranderingen in levensomstandigheden die ook optreden in deze periode. Welke invloed hebben bijvoorbeeld het verlaten van het ouderlijk huis, de overgang van school naar werk en het samenwonen met een partner op het criminele gedrag? Maar ook visa versa: In hoeverre is een crimineel verleden van invloed op het bereiken en het succes van conventionele transities zoals het afronden van de schoolopleiding, het vinden en houden van een betaalde baan, of het starten van een gezin? Speciale aandacht zal hierbij uitgaan naar de causale mechanismen die aan deze wederzijdse invloed ten grondslag liggen. Verder zal uitgebreid aandacht worden besteed aan de vraag of deze samenhangen en de onderliggende mechanismen gelijk zijn voor mannen en vrouwen en voor jongeren met een Nederlandse, Marokkaanse en Antilliaanse achtergrond.
Een beter inzicht in de complexe samenhang tussen criminele en conventionele ontwikkeling in speciaal deze leeftijdsperiode is van belang omdat juist in deze leeftijdsperiode jongeren beginnen met het op zich nemen van ‘volwassen’ sociale rollen. Voor jongeren die hierin – mogelijk mede als gevolg van hun criminele gedrag – onsuccesvol zijn, bestaat het risico dat zij een persistent patroon van crimineel gedrag ontwikkelen en de aansluiting met generatiegenoten verliezen.


De dynamiek van leeftijdsgenoten en delinquent gedrag in de adolescentie
drs. Kim Megens, promovendus,   prof. dr. Gerben Bruinsma, promotor,  dr. Frank Weerman, 
co-promotor 

Dit onderzoek is erop gericht om meer duidelijkheid te verkrijgen over de betekenis van leeftijdsgenoten voor veranderingen in delinquentie van jongens en meisjes tijdens (het begin van) de adolescentie. De relatie tussen delinquent gedrag van leeftijdsgenoten en eigen delinquent gedrag van jongeren is een van de bekendste gegevens uit de criminologie. Er is echter nog veel discussie over de betekenis en interpretatie van deze relatie. Volgens sommige onderzoekers is de omgang met leeftijdsgenoten van cruciaal belang om de toename en veranderingen in delinquent gedrag tijdens de adolescentie te verklaren (Moffitt, 1993; Warr, 2002; Osgood e.a., 1996). Volgens anderen daarentegen is de rol van leeftijdsgenoten gering en zijn andere invloeden, met name die van de ouders, belangrijker (zie bv. Hirschi, 1969; Gotfredson & Hirschi, 1990; Loeber, 2001).
Dit onderzoek dient dan ook om meer inzicht te krijgen in de tussenliggende processen bij de invloed van leeftijdgenoten op delinquent gedrag. Daartoe wordt er gebruik gemaakt van verschillende zelfrapportage panel studies: het NSCR-Schoolproject (zie 4); RADAR (Research on Adolescent Delinquency and Relationships), en Nederlandse data die eerder in het kader van het International Self Repoot Delinquentie onderzoek zijn verzameld. De volgende vragen zullen centraal staan in het onderzoek: Wat is het (interactieve) effect van de verschillende modaliteiten van associatie? Is er sprake van een rechtstreeks effect van delinquente vrienden op het  gedrag van een de adolescent of gaat het via attitude? Wat is het relatieve belang van de attitude en het gedrag van leeftijdgenoten op het gedrag van de adolescent? Zijn er verschillende wijzen van conformeren aan de groep en welke implicaties heeft dit voor delinquentie? Op welke manier zijn veranderingen in doorgebrachte tijd met leeftijdsgenoten in de adolescentie gerelateerd aan veranderingen in delinquent gedrag? Een artikel over de relatie tussen leeftijdsgenoten, attitudes en gedrag is geaccepteerd voor European Journal of Criminology; in 2011 wordt de dissertatie verwacht.


Criminaliteit en intieme relaties
Mioara Zoutewelle, MSc, promovendus, prof. dr. mr. Catrien Bijleveld, prof. dr. Aat Liefbroer (FSW-VU/NIDI), promotores, drs. Victor van der Geest, co-promotor

Dit onderzoek is gericht op het analyseren van de samenhang tussen de criminele carrière en de relatiecarrière. Bij het bestuderen van criminaliteit vanuit een levensloopperspectief gaat het niet alleen om het in kaart brengen van individuele verschillen in criminele carrières, maar ook om de vraag hoe deze criminele carrière zich verhoudt tot de gezinscarrière. Een beperking van het huidige onderzoek is dat het zich vooral richt op de invloed van één van deze carrières (b.v. het al dan niet huwen) op gebeurtenissen in de criminele carrière, terwijl er in werkelijkheid mogelijk sprake is van wederzijdse afhankelijkheid. Transities in het levensloopdomeinen gezin kan niet alleen van invloed zijn op gebeurtenissen in de criminele carrière, maar crimineel gedrag kan ook ingrijpende gevolgen hebben voor dit levensloopdomein (zoals scheiding; langdurige afwezigheid wegens gevangenisstraf). Bovendien kan het zo zijn dat er niet zozeer sprake is van een causale relatie tussen gebeurtenissen in deze carrières, maar dat deze samenhang het gevolg is van achtergrondkenmerken die gebeurtenissen in criminele carrières en beide levensloopdomeinen beïnvloeden. Voorbeelden van dergelijke achtergrondkenmerken zijn persoonlijkheid en opvoeding in het gezin van herkomst.
Het onderzoek voor dit promotieproject is gebaseerd op een dataset van hoog-risico mannen en vrouwen. Gegevens over relatievorming worden zowel uit registers als (op termijn) uit face to face interviews betrokken. Dit promotieonderzoek is een samenwerkingsproject van het NSCR en de Faculteit Sociale Wetenschappen van de Vrije Universiteit.


Criminaliteit en werk
Janna Verbruggen, MSc, promovendus, prof. dr. Gerben Bruinsma, prof. mr. W. Huisman (VU/RCH), promotores, dr. Arjan Blokland, drs. Victor van der Geest, co-promotores

Dit onderzoek is gericht op het analyseren van de samenhang tussen de criminele carrière en de arbeidscarrière.In de afgelopen decennia is de belangstelling voor het bestuderen van criminaliteit vanuit een levensloopperspectief sterk toegenomen. Daarbij gaat het niet alleen om het in kaart brengen van individuele verschillen in criminele carrières, maar ook om de vraag hoe deze criminele carrière zich verhoudt tot bijvoorbeeld de arbeidscarrière. Transities in de arbeidscarrière kunnen niet alleen van invloed zijn op crimineel gedrag, maar gebeurtenissen in de criminele carrière kunnen ook van invloed zijn op transities in de arbeidscarrière. Bovendien kan het zo zijn dat er niet zo zeer sprake is van een causale relatie tussen gebeurtenissen in deze carrières, maar dat deze samenhang het gevolg is van achtergrondkenmerken, zoals persoonlijkheid en opleiding, die gebeurtenissen in beide levensloopdomeinen beïnvloeden. Speciale aandacht gaat uit naar overeenkomsten of verschillen in het verband tussen criminaliteit en werk tussen mannen en vrouwen.
Om de samenhang tussen de criminele carrière en de arbeidscarrière te onderzoeken, zal gebruikt gemaakt worden van gegevens over de criminele carrières en de arbeidscarrières van 270 hoog-risico mannen en een controlegroep gematchte gemiddeld-risico mannen, alsmede de criminele carrières en de arbeidscarrières van 270 hoog-risico vrouwen en een controlegroep gematchte gemiddeld-risico vrouwen. Gegevens over de werkcarrière worden betrokken uit registers alsmede uit face to face interviews met betrokkenen. Voor een deel van dit onderzoek zal eveneens gebruik worden gemaakt van de gegevens uit het onderzoek naar de criminele carriere van jongvolwassenen (zie onder 7).
Dit promotieonderzoek is een samenwerkingsproject van het NSCR en de afdeling Strafrecht en Criminologie van de Vrije Universiteit. 
 

Criminele carrières en georganiseerde misdaad
Vere van Koppen, MSc, promovendus, prof. dr. Edward Kleemans (VU/WODC), promotor, dr. mr. Arjan Blokland, dr. Christianne de Poot (WODC), co-promotores

De ontwikkelings- en levensloopcriminologie hebben de laatste twee decennia veel vooruitgang geboekt. Veel onderzoek heeft echter betrekking op commune criminaliteit en jonge daders, waardoor bepaalde typen delicten en oudere daders onderbelicht blijven. Georganiseerde misdaad wijkt op een aantal belangrijke aspecten af van veelvoorkomende criminaliteit. Kleemans en De Poot (2008) noemen verschillen tussen georganiseerde en commune criminaliteit die een verklaring bieden voor verschillen tussen criminele carrières van beide groepen. Zij gebruiken het theoretische begrip sociale gelegenheidsstructuur om het belang van sociale relaties in de georganiseerde misdaad en de mogelijkheden die hierdoor worden geboden aan te geven. Ook benadrukken zij de complexiteit en logistieke benodigdheden van criminele samenwerkingsverbanden. Daders van georganiseerde misdaad laten mogelijk een ander licht schijnen op inmiddels geaccepteerde theorieën en bevindingen binnen de levensloopcriminologie.
Dit project heeft tot doel inzicht te verkrijgen in de criminele carrières van daders die op een bepaald ogenblik in hun leven betrokken raken bij de georganiseerde misdaad. In het kader van de Monitor Georganiseerde Misdaad zijn 120 opsporingsonderzoeken uitgebreid geanalyseerd. Dit levert veel informatie op over het samenwerkingsverband, maar ook over de daders die hierin een actieve rol speelden. Deze informatie wordt gecombineerd met informatie uit het Justitiële Documentatiesysteem (JDS) over kenmerken van daders en hun strafrechtelijk verleden.
Dit promotieonderzoek is een samenwerkingsproject van het NSCR en het Wetenschappelijk Onderzoek- en DocumentatieCentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie.