Zoek

Jeugdbendes en problematische jeugdgroepen in Nederland en Europa

FACTSHEET

Wat zijn de kenmerken van problematische jeugdgroepen in Europa en Nederland en in hoeverre komen zij overeen met Amerikaanse gangs? Wat voor jongeren maken deel uit van deze groepen? Wat is de relatie met criminaliteit en kunnen jongeren zulke groepen weer verlaten? Deze factsheet gaat in op de bevindingen van onderzoek naar jeugdbendes en problematische jeugdgroepen in Europa en Nederland.

Problematische jeugdgroepen kennen allerlei verschijningsvormen: van kleine vriendenclubs tot grote netwerken van jongeren die elkaar van de straat kennen; van hecht georganiseerd tot los zand, van etnisch homogeen tot veelkleurig, van herkenbaar tot diffuus, en van gesloten tot heel open. De term problematische jeugdgroepen omvat ook groepen die anderen of de leden ervan benoemen als jeugdbende of gang. Een veelgebruikte definitie (van het onderzoekersnetwerk Eurogang) is: ‘een duurzame groep jongeren die veel rondhangt in de publieke ruimte en voor wie betrokkenheid bij illegale activiteiten deel uitmaakt van de groepsidentiteit’. In Nederland is vanuit politie en beleid lange tijd onderscheid gemaakt in hinderlijke, overlastgevende en criminele jeugdgroepen; tegenwoordig wordt geprobeerd om groepen op een meer genuanceerde wijze weer te geven in een groepsbeschrijving.

Anders dan Amerikaanse gangs?

Er zijn verschillen maar ook overeenkomsten. In de Verenigde Staten zijn gangs meestal heel herkenbaar: ze hebben dan een eigen naam, kleding (colors), gebaren (handsigns), tatoeages en/of graffiti. In Europa en Nederland zijn zulke herkenbare groepen er ook, maar de meeste problematische jeugdgroepen hebben geen eigen naam of kleding en zien zichzelf ook niet als bende. Gangs in de Verenigde Staten zijn over het algemeen ook hiërarchischer en meer gestructureerd dan de problematische jeugdgroepen in Europa en Nederland. Een ander verschil is dat Amerikaanse gangs meestal territoriaal zijn en conflicten hebben met andere groepen. In Europa en Nederland raken jongeren in problematische jeugdgroepen en bendes vooral in conflict met buurtbewoners door hun overlast en criminaliteit. Een overeenkomst met Amerikaanse gangs is de verhoogde betrokkenheid van leden bij crimineel gedrag, met name bij geweldsdelicten.

Wat voor jongeren maken deel uit van deze groepen?

Jongeren die opgroeien in een ongunstig opvoedklimaat hebben een grotere kans om deel uit te maken van een problematische jeugdgroep, net als jongeren die minder goed functioneren op school, een relatief lage zelfcontrole hebben, en die relatief veel tijd doorbrengen met hun vrienden op straat. Een cumulatie aan negatieve ervaringen verhoogt ook de kans op lidmaatschap. Zowel jongens als meisjes kunnen deel uitmaken van problematische jeugdgroepen en gangs, al zijn jongens wel oververtegenwoordigd. De risicofactoren bij jongens en meisjes komen grotendeels overeen, ook zijn er geen grote verschillen in risicofactoren tussen Nederland/Europa en de Verenigde Staten.

Om welke aantallen gaat het?

Het aantal problematische jeugdgroepen zoals dat met de ‘shortlist-methodiek’ (een soort vragenlijst onder gespecialiseerde politiemedewerkers) in Nederland werd gemeten, is de afgelopen jaren fors gedaald, van bijna 1800 in 2009 tot ruim 600 in 2014. Een klein deel van deze groepen, enkele tientallen, werd als ‘criminele jeugdgroep’ bestempeld. Problematische jeugdgroepen zijn tegenwoordig dus minder aanwezig in de openbare ruimte dan enkele jaren terug. Tegelijkertijd zijn ze zich
wel meer gaan manifesteren op sociale media. Uit enquêtes onder scholieren is duidelijk geworden dat een klein maar substantieel deel van de jongeren (tussen de 5 en 10%) is aangesloten bij een groep die voldoet aan de bovenstaande definitie van een problematische jeugdgroep. De aantallen in Nederland zijn vergelijkbaar met wat gemiddeld in andere Europese landen wordt gevonden.

Wat voor gevolgen heeft lidmaatschap van problematische jeugdgroepen?

In enquêtes rapporteren jongeren die in een problematische jeugdgroep zitten 3 à 4 keer zoveel delicten als jongeren die niet in zo’n groep zitten. Dit geldt voor zowel jongens als meisjes. Betrokkenheid bij delinquent gedrag neemt toe in het jaar waarin
jongeren bij een problematische jeugdgroep zijn gaan horen, en neemt weer af als ze de groep verlaten. Ook de consumptie van alcohol en softdrugs neemt toe bij toetreding tot een problematische jeugdgroep, net als de omgang met delinquente leeftijdsgenoten en het hebben van opvattingen die criminaliteit goedkeuren. Zowel de relatie met ouders als het functioneren op school verslechtert als jongeren lid worden van een problematische jeugdgroep, maar die worden ook weer beter als jongeren de groep verlaten.

Kunnen jongeren een jeugdbende weer verlaten?

Anders dan soms wordt gedacht, is het niet onmogelijk om uit een jeugdbende of gang te stappen. De meerderheid van jongeren in een problematische jeugdgroep of gang zit daar relatief kort, meestal een jaar. Dit geldt zowel voor Nederland als de Verenigde Staten. Jongeren kunnen om verschillende redenen een gang of jeugdgroep verlaten: als gevolg van negatieve ervaringen binnen de groep of het uitgekeken raken op het gang-leven, of door externe gebeurtenissen zoals het krijgen van werk, een kind of een andere woonplaats in combinatie met een veranderde blik op de eigen identiteit. Voor de aanpak van problematische jeugdgroepen of gangs zijn allerlei programma’s en methoden ontwikkeld. Van belang is, zo blijkt uit onderzoek, de aanpak toe te spitsen op het soort groep en onderscheid te maken tussen kernleden en meelopers. Integrale programma’s, met een combinatie van bestuurlijke, strafrechtelijke en preventieve maatregelen lijken geboden voor de moeilijkste groepen.

Weerman, F. (2017)

prof. dr. Frank Weerman

Over prof. dr. Frank Weerman


Frank Weerman is in 1992 afgestudeerd in Sociologie, na het volgen van een vrij doctoraal programma Criminologie. Hierna was hij meerdere jaren werkzaam bij de sectie Criminologie van de Rijksuniversiteit Groningen. In 1998 promoveerde hij op een onderzoek naar de waarde van Hirschi’s bindingstheorie voor de verklaring van delinquent gedrag. Na zijn promotie werkte hij van 1998 tot 2000 als postdoc bij het IPIT (Internationaal Politie Instituut Twente), waar hij een boek schreef over samenplegen (criminele samenwerking en groepsvorming). Sinds augustus 2000 is hij werkzaam bij het NSCR, waar hij senior onderzoeker is. Zijn onderzoeksinteresses liggen op het gebied van jeugdcriminaliteit en criminologische theorievorming, met een nadruk op de rol van leeftijdsgenoten bij delinquent gedrag. Bij het NSCR coördineerde hij vanaf 2002 de opzet en uitvoering van het “Schoolproject”, een longitudinaal onderzoek onder middelbare scholieren, waarbij onder meer veranderingen in delinquent gedrag en vriendschapsnetwerken in kaart zijn gebracht. Binnen het internationale netwerk van onderzoekers “Eurogang” publiceerde hij over problematische jeugdgroepen en jeugdbendes. Sinds 2008 is hij nauw betrokken bij opzet en uitvoering van het longitudinale SPAN-project (Study of Peers, Activities and Neighborhoods). Verder maakt hij deel uit van de redactie van het Tijdschrift voor Criminologie en is hij medeauteur van de criminologie-rubriek in het tijdschrift Delikt en Delinkwent.

Frank maakt deel uit van de Clusters Levensloop, Intergenerationeel, Cybercrime en Extremisme/Terrorisme.

Bekijk alle berichten

Show all

2018

Asscher, J J; Dekovic, M; van den Akker, A L; Prins, P J M; van der Laan, P H

Do Extremely Violent Juveniles Respond Differently to Treatment? Journal Article

Int J Offender Ther Comp Criminol, 62 (4), pp. 958-977, 2018, ISSN: 1552-6933 (Electronic).

Links | BibTeX

van der Stouwe, T; Asscher, J J; Hoeve, M; van der Laan, P H; Gjjm, Stams

The Influence of Treatment Motivation on Outcomes of Social Skills Training for Juvenile Delinquents Journal Article

Int J Offender Ther Comp Criminol, 62 (1), pp. 108-128, 2018, ISSN: 1552-6933 (Electronic).

Links | BibTeX

2016

Asscher, J J; Dekovic, M; van den Aller, A L; Prins, P J M; van der Laan, P H

Do extremely violent juveniles respond differently to treatment? Journal Article

International Journal of Offender Therapy and Comparative Criminology, 2016.

Links | BibTeX

van der Stouwe, T; Asscher, J J; Hoeve, M; van der Laan, P H; Stams, G J J M

The influence of treatment motivation on outcomes of social skills training for juvenile delinquents Journal Article

International Journal of Offender Therapy and Comparative Criminology, 2016.

Links | BibTeX

van der Stouwe, T; Asscher, J J; Hoeve, M; van der Laan, P H; Stams, G J J M

Social skills training for juvenile delinquents: post-treatment changes Journal Article

Journal of Experimental Criminology, 2016.

Links | BibTeX

2015

James, C; Asscher, J J; Stams, G J J M; van der Laan, P H

The effectiveness of aftercare for juvenile and young adult offenders Journal Article

Journal of Offender Therapy and Comparative Criminology, 2015.

Links | BibTeX

2013

James, C; Stams, G J J M; Asscher, J J; Roo, De A K; der Laan, Van P H

Aftercare programs for reducing recidivism among juvenile and young adult offenders: A meta-analytic review Journal Article

Clinical Psychology Review, 33 (2), pp. 263-274, 2013.

BibTeX

der Put, Van C E; Asscher, J J; Stams, G J J M; der Laan, Van P H; Breuk, R; Jongman, E; Doreleijers, T

Recidivism after treatment in a forensic youth-psychiatric setting: the effect of treatment characteristics Journal Article

International Journal of Offender Therapy and Comparative Criminology, 57 (9), pp. 1120-1139, 2013.

BibTeX

2007

Asscher, J J; Dekovic, M; van der Laan, P H; Prins, P J M; van Arum, S

Implementing randomized experiments in criminal justice settings : An evaluation of multi-systemic therapy in the Netherlands. Journal Article

Journal of Experimental Criminology, 3 (2), pp. 113-129, 2007.

BibTeX




NSCR